In de tegenwoordige tijd heeft het verleden toekomst

Vraag van Dennis die een workshop bij me deed:

Carola, In onze persberichten schrijven we altijd over de ontwikkeling van het aantal verkopen in de afgelopen maand. Nu komt mijn vraag: Mag ik hier de tegenwoordige tijd gebruiken? >>> In april stijgt het aantal verkopen of in april steeg het aantal verkopen?

Wat een lastige vraag. Ik antwoordde hem dat ik zelf zou kiezen voor In april is het aantal verkopen gestegen en beloofde er later op terug te komen. Bij dezen.

Er zijn meer tijden dan de twee die Dennis in zijn voorbeeld verwerkt. De tegenwoordige tijd kan voltooid of onvoltooid zijn, toekomend of niet en dat geldt ook voor de verleden tijd. En elke tijd heeft zijn eigen functie.

Vergelijk de volgende zinnen.

  • Ik eet de taart. (Onvoltooid tegenwoordige tijd – ott, vaak ook simpelweg tegenwoordige tijd genoemd)
  • Ik at de taart. (Onvoltooid verleden tijd – ovt, of simpelweg verleden tijd )
  • Ik heb de taart gegeten. (Voltooid tegenwoordige tijd)
  • Ik had de taart gegeten. (Voltooid verleden tijd)
  • Ik zal de taart eten. (Onvoltooid tegenwoordige toekomende  tijd)
  • Ik zou de taart eten. (Onvoltooid verleden  toekomende  tijd)
  • Ik zal de taart gegeten hebben. (Voltooid tegenwoordige toekomende  tijd)
  • Ik zou de taart gegeten hebben. (Voltooid verleden toekomende  tijd)

Ik ben acht kilo aangekomen. En ik heb zin in taart. Maar dat terzijde.

Werkwoordstijdentaart

Helaas, deze taart wordt niet, maar werd (door mij) gebakken, en gegeten.

Elke zin roept zijn eigen beeld op, je trekt als lezer andere conclusies, je verwacht bij elke zin een ander vervolg. Als schrijver kun je met al die mogelijkheden spelen.

Dennis’ vraag was opgekomen, doordat ik hem en de andere workshopdeelnemers had aangeraden een verslag in de tegenwoordige tijd te schrijven. Als lezer heb je dan namelijk het gevoel dat je erbij bent. De onvoltooid tegenwoordige tijd bedoel ik dan, die onder de vakterm presens historicum bekend staat.

Die tijd, presens historicum, gebruik je zonder het te weten elke dag: als je meegesleept door je eigen verhaal vertelt over wat je gisteren meegemaakt hebt.

“Ik hoor een raar geluid en loop naar buiten. Daar staat de buurman met een enorme bult op zijn kop. Wat denk je dat ik doe? [enz.]”

De tegenwoordige tijd roept hier spanning op, je weet net als de verteller op het moment dat hij het meemaakte, nog niet wat je te wachten staat. Het lijkt ook wel of de gebeurtenissen los van elkaar staan – ze hebben geen sterke verbinding met elkaar.

Kijk wat er gebeurt als we deze passage in de verleden tijd zetten.

Ik hoorde een raar geluid en liep naar buiten. Daar stond de buurman met een enorme bult op zijn kop. Wat denk je dat ik deed? [enz.] 

Je wacht het vervolg nu met met meer gelatenheid af. Je weet wel dat het hoogstwaarschijnlijk goedkomt, uiteindelijk.

In het voorbeeld van Dennis is die historische tegenwoordige tijd (in april stijgt het aantal verkopen) niet op zijn plaats. Die klinkt als een voorspelling, wat het niet is, aangezien het inmiddels juni is. Ik zou in zo’n geval, zoals ik Dennis ook meteen liet weten, altijd kiezen voor de voltooid tegenwoordige tijd: in april is het aantal verkopen gestegen. De voltooide tijd gebruiken we namelijk in situaties waarin het resultaat het belangrijkste is – en daar is dit een goed voorbeeld van. De tegenwoordige tijd geeft aan dat het nog steeds zo is.

Eric Tiggeler heeft over dat verschil tussen voltooide en onvoltooide tijden ooit een uitstekend stuk geschreven (dat-ie op mijn verzoek online heeft gezet) met als sprekend voorbeeld: hij redde mij. Dat zeg je niet, je zegt: hij heeft mij gered. Hij redde mij kan alleen in het uitzonderlijke geval dat niet het gered worden centraal staat, maar het redden als handeling: hij redde mij terwijl zijn jas in brand stond!

In dit geval is dus de voltooid tegenwoordige tijd op zijn plaats. De voltooid verleden tijd (het aantal verkopen was gestegen) zou indiceren dat er inmiddels weer minder verkocht wordt, en dat is ook niet wat Dennis wil vertellen.

Ben je er nog?

Nog één complicatie omdat het zo leuk is.

Niet alleen kun je de tegenwoordige tijd voor het verleden gebruiken, je kunt er ook mee naar de toekomst verwijzen.

De voorstelling begint om acht uur.
De rechtbank doet over twee weken uitspraak.

Ook de overige werkwoordstijden kun je voor meer inzetten dan hun naam doet vermoeden. Onze Taal geeft mooie voorbeelden:

Hij zal toch niet het land uit zijn?

Een toekomende tijd, maar de zin verwijst naar het heden.

Ik liet hem mooi teruglopen, als ik jou was.

Een verleden tijd die niet over het verleden gaat. Heerlijk, toch?

Welke werkwoordstijd je moet gebruiken in een tekst is dus deels keuze, deels kennis.

Wat die kennis betreft: er is nog ontzettend veel meer over te vertellen, maar dit is nu al de langste blog die ik ooit geschreven heb. Hier zijn nog wat bronnen voor als je door wilt. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (met alle regels van het Nederlands) heeft een onmogelijk ingewikkeld verhaal over werkwoordstijden. Aan die ANS wordt op dit moment gewerkt en in deze masterscriptie staat al een helderder verhaal dat als voorzet dient voor de nieuwe versie. Maar ook die is alleen voor de taalnerds onder ons.
Voor alle anderen: luister goed naar je zelf, probeer wat het beste werkt en vertrouw uiteindelijk op je eigen taalgevoel.
0 antwoorden

Laat een reactie achter

Meepraten?
We horen graag wat je ervan vindt!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *